Leila Aboulela |
Minaret
> Inhoudsbeschrijving
Onder haar hoofddoek is Najwa onzichtbaar voor de ogen van de rijke families wier huizen ze schoonmaakt. Twintig jaar geleden, toen ze nog studeerde, had ze zich niet kunnen voorstellen dat ze ooit als huishoudster zou moeten werken. Ze droomde ervan een goed huwelijk te sluiten en een familie te stichten. Tot een staatsgreep haar en haar familie dwong naar Londen te vluchten.
In de jaren die volgen wordt Najwa voortdurend op de proef gesteld, maar tijdens de bezoeken aan de moskee in het Londense Regent’s Park put ze troost uit haar samenzijn met moslims. Haar dromen liggen in duigen, maar de ontdekking van de islam biedt rust. Dan ontmoet ze Tamer, de eenzame jongere broer van haar werkgeefster. Ze vinden een gemeenschappelijke band in hun geloof en langzaamaan worden ze verliefd.
In de jaren die volgen wordt Najwa voortdurend op de proef gesteld, maar tijdens de bezoeken aan de moskee in het Londense Regent’s Park put ze troost uit haar samenzijn met moslims. Haar dromen liggen in duigen, maar de ontdekking van de islam biedt rust. Dan ontmoet ze Tamer, de eenzame jongere broer van haar werkgeefster. Ze vinden een gemeenschappelijke band in hun geloof en langzaamaan worden ze verliefd.
> Tekstfragment
Het was onvermijdelijk dat ik een keer op zijn bed zou gaan zitten, dat hij zijn armen om me heen zou slaan en zou zeggen: ‘Heb je me nu niet genoeg gekweld?’ We draaiden al maanden om elkaar heen, flirtten met elkaar, ons er voortdurend van bewust dat we in Londen waren, dat we vrij waren. En ik had de hele tijd half bewust geweten dat ik het een hele tijd zou volhouden en dan zou toegeven aan datgene binnen in mij dat luxe en lui was, dat gestreeld en in de watten gelegd wilde worden, en dat ik daarna dankzij hem nooit meer hetzelfde zou zijn. Na afloop, na het spel en de ernst, een diepe stilte. Ik hoorde het gezoem van de computer. Het knarsende geluid van de sleutel in het voordeurslot, de opgewonden stem van Ameen: ‘Anwar, heb je het al gehoord? Kom gauw naar het nieuws kijken.’
We sprongen uit bed, gejaagd, schuldig. Ja, schuldig. En tot onze opluchting liep Ameen meteen door naar de huiskamer; het vertrouwde harde, hortende geluid van de tv terwijl hij de zenders afzocht naar nieuws. Anwar en ik dachten hetzelfde: een staatsgreep in Soedan, de regering is gevallen. Weer een staatsgreep. Een stoelendans, het kleed wordt voor de zoveelste keer onder iemands voeten weggetrokken. Anwar vloog de kamer uit. Nu konden we teruggaan, dacht ik, en ons leven weer oppakken. Ik kon terug naar de universiteit, verder studeren, Anwar zou zijn baan terugkrijgen. We zouden trouwen.
Ik liep naar de badkamer, me bewust van iedere stap, een beetje duizelig, alsof ik een hele tijd koorts had gehad en die nu was geluwd. Ik liep langzaam, alsof ik wankel was. Mijn rechterhand was te slap om de wc door te spoelen of de kraan open te draaien – ik had allebei mijn handen nodig. Mijn gezicht in de spiegel zag eruit alsof er niets was gebeurd. Mijn haar zat in de war, alsof ik had liggen slapen. Ik maakte het weer glad met water, schraapte mijn keel. Zou mijn stem normaal klinken? Geel staat me goed, dacht ik, en er kwam een herinnering bij me op aan een andere badkamerspiegel, waarvoor ik mezelf stond te bewonderen terwijl baba zijn spullen pakte en mama koortsachtig rondliep. Ik stond mezelf te bewonderen in mijn gele pyjama terwijl baba het huis voor de laatste keer verliet. Ik had er voor hém moeten zijn. Toen ik in de wasbak overgaf, zag ik stukjes tomaat, als bloedspatjes.
Er was iets mis met de kamer, hij was rommelig en studentikoos en het rook er naar Anwars sigaretten. Zo hoorde hij niet te zijn. Het moest een kamer in het beste hotel van Khartoem zijn, waar mijn bruidsjurk in de kast hing en de lakens wit en knisperend waren. Uitzicht op de Nijl en henna op mijn handen. Ik zou mijn armen in de mouwen van een nieuwe ochtendjas steken die paste bij mijn nachtjapon. Mama had ze allebei voor me gekocht bij Selfridges, perzikkleurig, duur. Ze zou tegen de verkoopster hebben gezegd dat haar dochter ging trouwen en het meisje zou hebben geglimlacht, de glimlach die speciaal bedoeld is voor buitenlanders met geld. Ik hoorde niet mijn gewone spijkerbroek en mijn gele T-shirt te dragen. Mijn moeder hoorde bij de telefoon te zitten, ongerust, popelend om te vragen: ‘Is alles goed met je?’
Anwar kwam glimlachend en hoofdschuddend de kamer binnen en tikte met zijn vinger op zijn voorhoofd. ‘Ameen is gek. Hij is helemaal opgewonden om nieuws dat niets met Soedan te maken heeft.’
‘Wat is er dan?’
‘Saddam Hoessein is Koeweit binnengevallen.’
Dus de regering in Khartoem was niet gevallen en we zouden niet teruggaan.
‘Waarom kijk je zo sip? Is alles goed met je?’ Hij probeerde aardig voor me te zijn, maar zijn gedachten waren bij het nieuws. ‘Ik wil naar huis,’ zei ik, ‘ik ben nu niet in de stemming voor Ameen.’ Hij begreep het en probeerde me niet over te halen om te blijven. Ik liep over Gloucester Road en bedacht dat wat er verder ook met me gebeurde, wat er ook in de wereld gebeurde, Londen hetzelfde zou blijven, altijd hetzelfde: de metro zou altijd rijden, de kiosken zouden Cadbury-chocola verkopen, de mensen zouden zich elke dag naar huis haasten na hun werk. Daarom waren wij hier: regeringen vielen en er werden staatsgrepen gepleegd en daarom waren we hier. Voor het eerst van mijn leven had ik een afkeer van Londen en benijdde ik de Engelsen, zo onverstoorbaar en geaard, nooit op de vlucht, nooit verjaagd. Voor het eerst was ik me bewust van mijn poepkleurige huid naast hun onbewogen bleekheid. Wat was er vandaag met me aan de hand? Ik nam een warm bad toen ik thuiskwam. Ik warmde een blikje soep op. Mijn afkeer van Londen verdween, maar ik voelde me niet lekker.
We sprongen uit bed, gejaagd, schuldig. Ja, schuldig. En tot onze opluchting liep Ameen meteen door naar de huiskamer; het vertrouwde harde, hortende geluid van de tv terwijl hij de zenders afzocht naar nieuws. Anwar en ik dachten hetzelfde: een staatsgreep in Soedan, de regering is gevallen. Weer een staatsgreep. Een stoelendans, het kleed wordt voor de zoveelste keer onder iemands voeten weggetrokken. Anwar vloog de kamer uit. Nu konden we teruggaan, dacht ik, en ons leven weer oppakken. Ik kon terug naar de universiteit, verder studeren, Anwar zou zijn baan terugkrijgen. We zouden trouwen.
Ik liep naar de badkamer, me bewust van iedere stap, een beetje duizelig, alsof ik een hele tijd koorts had gehad en die nu was geluwd. Ik liep langzaam, alsof ik wankel was. Mijn rechterhand was te slap om de wc door te spoelen of de kraan open te draaien – ik had allebei mijn handen nodig. Mijn gezicht in de spiegel zag eruit alsof er niets was gebeurd. Mijn haar zat in de war, alsof ik had liggen slapen. Ik maakte het weer glad met water, schraapte mijn keel. Zou mijn stem normaal klinken? Geel staat me goed, dacht ik, en er kwam een herinnering bij me op aan een andere badkamerspiegel, waarvoor ik mezelf stond te bewonderen terwijl baba zijn spullen pakte en mama koortsachtig rondliep. Ik stond mezelf te bewonderen in mijn gele pyjama terwijl baba het huis voor de laatste keer verliet. Ik had er voor hém moeten zijn. Toen ik in de wasbak overgaf, zag ik stukjes tomaat, als bloedspatjes.
Er was iets mis met de kamer, hij was rommelig en studentikoos en het rook er naar Anwars sigaretten. Zo hoorde hij niet te zijn. Het moest een kamer in het beste hotel van Khartoem zijn, waar mijn bruidsjurk in de kast hing en de lakens wit en knisperend waren. Uitzicht op de Nijl en henna op mijn handen. Ik zou mijn armen in de mouwen van een nieuwe ochtendjas steken die paste bij mijn nachtjapon. Mama had ze allebei voor me gekocht bij Selfridges, perzikkleurig, duur. Ze zou tegen de verkoopster hebben gezegd dat haar dochter ging trouwen en het meisje zou hebben geglimlacht, de glimlach die speciaal bedoeld is voor buitenlanders met geld. Ik hoorde niet mijn gewone spijkerbroek en mijn gele T-shirt te dragen. Mijn moeder hoorde bij de telefoon te zitten, ongerust, popelend om te vragen: ‘Is alles goed met je?’
Anwar kwam glimlachend en hoofdschuddend de kamer binnen en tikte met zijn vinger op zijn voorhoofd. ‘Ameen is gek. Hij is helemaal opgewonden om nieuws dat niets met Soedan te maken heeft.’
‘Wat is er dan?’
‘Saddam Hoessein is Koeweit binnengevallen.’
Dus de regering in Khartoem was niet gevallen en we zouden niet teruggaan.
‘Waarom kijk je zo sip? Is alles goed met je?’ Hij probeerde aardig voor me te zijn, maar zijn gedachten waren bij het nieuws. ‘Ik wil naar huis,’ zei ik, ‘ik ben nu niet in de stemming voor Ameen.’ Hij begreep het en probeerde me niet over te halen om te blijven. Ik liep over Gloucester Road en bedacht dat wat er verder ook met me gebeurde, wat er ook in de wereld gebeurde, Londen hetzelfde zou blijven, altijd hetzelfde: de metro zou altijd rijden, de kiosken zouden Cadbury-chocola verkopen, de mensen zouden zich elke dag naar huis haasten na hun werk. Daarom waren wij hier: regeringen vielen en er werden staatsgrepen gepleegd en daarom waren we hier. Voor het eerst van mijn leven had ik een afkeer van Londen en benijdde ik de Engelsen, zo onverstoorbaar en geaard, nooit op de vlucht, nooit verjaagd. Voor het eerst was ik me bewust van mijn poepkleurige huid naast hun onbewogen bleekheid. Wat was er vandaag met me aan de hand? Ik nam een warm bad toen ik thuiskwam. Ik warmde een blikje soep op. Mijn afkeer van Londen verdween, maar ik voelde me niet lekker.
> Meer boeken van deze auteur
| Minaret | Gebonden | 08 01 2008 | € 19.90 |
| Soraya's lied | Paperback | 05 05 2012 | € 24.50 |
