In Parijs zijn signalen van een nieuwe pestuitbraak. Er vallen zelfs enkele doden te betreuren. De immer nuchtere commissaris Adamsberg (‘Ik vraag me af of je als smeris op den duur geen smeris wordt’) gelooft echter niet dat de zwarte dood rondwaart en gaat op zoek naar een ‘doodgewone’ moordenaar die de stad met zijn morbide pestgrap terroriseert. De media daarentegen zijn op hol geslagen en wakkeren de angst van de bevolking aan.
‘Het is zover. Er ligt een lijk in de Rue Jean-Jacques Rousseau. Het pand is pas gemarkeerd met tien omgekeerde 4'en op de deuren.’
‘Godsamme’, zei Danglard.
‘Een man van een jaar of dertig, een blanke.’
‘Waarom zegt u “een blanke”?’
‘Omdat zijn huid zwart is. Zijn huid is zwart, gezwart. Zijn tong ook.’
Danglard fronste zijn voorhoofd.
‘De pest’, zei hij. ‘De Zwarte Dood.’
‘Precies. Maar ik geloof niet dat die man aan de pest is overleden.’
‘Waarom bent u daar zo zeker van?’
Adamsberg haalde zijn schouders licht op.
‘Ik weet het niet. Te ouderwets. De pest is al in geen eeuwen meer in Frankrijk voorgekomen.’
Klik hier voor uitgebreid fragment