De Nobelprijsspeech van Herta Müller
Datum: 7-12-2009
Elk woord weet iets van de vicieuze cirkel
HEB JE EEN ZAKDOEK, vroeg mijn moeder elke morgen bij de deur voordat ik naar buiten ging. Ik had er geen. En omdat ik er geen had, ging ik terug naar de kamer om een zakdoek te pakken. Ik had er elke morgen geen, omdat ik elke morgen op die vraag wachtte. De zakdoek was het bewijs dat mijn moeder mij 's morgens behoedde. Bij de latere uren en dingen van de dag was ik op mezelf aangewezen. De vraag HEB JE EEN ZAKDOEK was een indirecte tederheid. Een directe tederheid zou pijnlijk zijn geweest; boeren deden dat niet. De liefde was als vraag verkleed. Alleen zo kon ze droog worden uitgesproken, op gebiedende toon zoals de handgrepen van het werk. Dat haar stem ruw was, onderstreepte zelfs de tederheid. Elke morgen stond ik één keer zonder zakdoek bij de deur en een tweede keer mét een zakdoek. Pas dan ging ik naar buiten, alsof met die zakdoek ook mijn moeder erbij was.
En twintig jaar later was ik allang op mezelf in de stad, vertaalster in een machinefabriek. Om vijf uur 's morgens stond ik op, om half zeven begon het werk. 's Morgens schalde het volkslied uit de luidspreker over de binnenplaats van de fabriek. In de middagpauze schalden de arbeiderskoren. Maar de arbeiders die daar zaten te eten, hadden lege ogen als blik, handen vol olievlekken, hun eten was in krantenpapier gewikkeld. Voordat ze hun stukje spek aten, krabden ze met hun mes de drukinkt van het spek.
Twee jaren verliepen in de dagelijkse sleur, de ene dag was precies zo als de andere. In het derde jaar was het afgelopen met de gelijkheid van de dagen. Binnen een week kwam er driemaal een enorme, zware man met fonkelend blauwe ogen, een kolos van de geheime dienst, 's morgens vroeg mijn werkkamer binnen.
De eerste keer bleef hij staan, schold me uit en vertrok.
De tweede keer trok hij zijn windjack uit, hing het aan de kastsleutel en ging zitten. Ik had die morgen tulpen van huis meegenomen en was bezig ze in de vaas te zetten. Hij keek naar me en prees me om mijn buitengewone mensenkennis. Zijn stem was klef. Ik vertrouwde hem niet. Ik bestreed de lof en verzekerde hem dat ik verstand had van tulpen maar niet van mensen. Toen zei hij boosaardig dat hij mij beter kende dan ik de tulpen. Toen hing hij zijn windjack over zijn arm en vertrok.
De derde keer ging hij zitten en ik bleef staan, want hij had zijn aktetas op mijn stoel gelegd. Ik durfde die niet op de grond te zetten. Hij maakte me uit voor stommeling, te lui om te werken, hoer, zo rot als een struinende teef. De tulpen schoof hij naar de rand van de tafel, midden op de tafel legde hij een leeg vel papier en een pen. Hij brulde: Schrijven. Ik schreef staande wat hij me dicteerde - mijn naam met geboortedatum en adres. Maar vervolgens, dat ik niemand, ook geen vrienden of familieleden, zou vertellen dat ik ... nu kwam het verschrikkelijke woord: colaborez, dat ik collaboreerde. Dat woord schreef ik niet meer op. Ik legde de pen neer, liep naar het raam en keek naar de stoffige straat. Die was niet geasfalteerd, kuilen en bultige huizen. Deze vervallen straat heette ook nog Strada Gloriei, Straat van de Roem. Op de Straat van de Roem zat een kat in de naakte moerbeiboom. Het was de fabriekskat met het gescheurde oor. Boven de kat een vroege zon als een gele trommel. Ik zei: N-am caracterul, dat karakter heb ik niet. Ik zei het tegen de straat daarbuiten. Het woord KARAKTER maakte de man van de geheime dienst hysterisch. Hij verscheurde het papier en gooide de snippers op de grond. Waarschijnlijk bedacht hij dat hij zijn baas de poging tot aanwerving moest presenteren, want hij bukte zich, raapte alle snippers op en gooide ze in zijn aktetas. Toen zuchtte hij diep en in zijn nederlaag smeet hij de vaas met tulpen tegen de muur. Die sloeg te pletter en het knarste alsof er tanden in de lucht hingen. Met de aktetas onder zijn arm zei hij zachtjes: Daar ga je nog spijt van krijgen, we verzuipen je in de rivier. Ik zei als het ware tegen mezelf: Als ik dat onderteken, kan ik niet meer met mezelf leven, dan moet ik het zelf doen. Doet u het dan maar liever. Toen stond de deur al open en hij was weg. En buiten op de Strada Gloriei was de fabriekskat van de boom op het dak van het huis gesprongen. Een tak veerde als een trampoline.
De volgende dag begon het gechicaneer. Ik moest weg uit de fabriek. Elke morgen om half zeven moest ik me bij de directeur melden. Naast hem zaten elke morgen de vakbondsleider en de partijsecretaris. Zoals destijds mijn moeder had gevraagd: Heb je een zakdoek, vroeg nu de directeur elke morgen: Heb je ander werk gevonden. Ik antwoordde elke keer hetzelfde: Ik zoek geen ander werk, het bevalt me hier in de fabriek, ik wil blijven tot mijn pensioen.
Op een morgen kwam ik op mijn werk en mijn dikke woordenboeken lagen in de gang op de grond naast de deur van mijn werkkamer. Ik deed de deur open, aan mijn bureau zat een ingenieur. Hij zei: Hier wordt geklopt bij het binnenkomen. Hier zit ik, jij hebt hier niets te zoeken. Naar huis gaan kon ik niet, dan hadden ze een smoes gehad om mij te kunnen ontslaan wegens wegblijven zonder excuus. Ik had geen werkkamer, moest juist nu elke dag normaal op mijn werk komen, mocht in geen geval wegblijven.
Mijn vriendin, aan wie ik elke dag op weg naar huis door de ellendige Strada Gloriei alles vertelde, maakte in het begin een hoekje aan haar bureau vrij. Maar op een morgen stond ze voor de deur van haar werkkamer en zei: Ik mag je niet binnenlaten. Ze zeggen allemaal dat je een spion bent. De chicanes werden naar beneden doorgegeven, het gerucht werd onder mijn collega's verspreid. Dat was het ergste. Tegen aanvallen kun je je verdedigen, tegenover laster sta je machteloos. Ik hield elke dag met alles rekening, ook met de dood. Maar deze valsheid kon ik niet aan. Geen enkele berekening maakte die draaglijk. Laster vult je op met drek, je stikt omdat je je niet kunt verweren. Voor mijn collega's was ik precies dat wat ik had geweigerd. Als ik hen had bespioneerd, hadden ze mij zonder argwaan vertrouwd. In feite straften ze mij omdat ik hen spaarde.
Omdat ik juist nu niet mocht wegblijven maar geen werkkamer had, en mijn vriendin mij in de hare niet meer mocht binnenlaten, stond ik besluiteloos in het trappenhuis. Ik liep een paar keer de trappen op en neer - plotseling was ik weer het kind van mijn moeder, want IK HAD EEN ZAKDOEK. Ik legde hem tussen de eerste en tweede verdieping op een tree, streek hem glad zodat hij netjes lag, en ging erop zitten. Mijn dikke woordenboeken legde ik op mijn knieën en zo vertaalde ik de beschrijvingen van hydraulische machines. Ik was een trappengrap en mijn werkkamer was een zakdoek. Mijn vriendin ging in de middagpauzes bij mij op de trap zitten. We aten samen zoals vroeger in haar en nog vroeger in mijn werkkamer. Uit de luidspreker op de binnenplaats kwam zoals altijd het gezang van de arbeiderskoren over het geluk van het volk. Zij at en huilde om mij. Ik niet. Ik moest hard blijven. Nog een hele tijd. Een paar eeuwige weken, totdat ik werd ontslagen.
In de tijd dat ik een trappengrap was, heb ik in de encyclopedie alles nagezocht wat verband hield met het woord TRAP. Een reeks traptreden in dezelfde richting heet TRAPARM. De horizontale treden om je voeten op te zetten zijn aan de zijkant ingepast in TRAPWANGEN. En de ruimte waar de trap omheen draait heet zelfs TRAPPENOOG. Van de onderdelen van de hydraulische met olie besmeurde machines kende ik de mooie woorden ZWALUWSTAART, ZWANENHALS, het houvast van de schroeven heette SCHROEFMOER. En precies zo verbluften mij de poëtische namen van de traponderdelen, de schoonheid van de technische taal. TRAPARMEN, TRAPWANGEN, TRAPPENOOG - de trap is dus vermenselijkt. Of hij nu van hout of van steen is, van beton of van ijzer - hoe komt het dat de mensen zelfs in de meest onhandzame dingen zichzelf inbouwen, dood materiaal de namen van hun eigen vlees geven, het personifiëren tot lichaamsdelen? Wordt de ruwe arbeid voor de specialisten der techniek pas draaglijk door een verborgen tederheid? Verloopt alle arbeid, in elk beroep, volgens hetzelfde principe als de vraag van mijn moeder naar de zakdoek?
In mijn kindertijd was er thuis een zakdoekenla. Daarin lagen in twee rijen achter elkaar drie stapels per rij:
Links de mannenzakdoeken voor mijn vader en mijn grootvader.
Rechts de vrouwenzakdoeken voor mijn moeder en mijn grootmoeder.
In het midden de kinderzakdoeken voor mij.
De la was het beeld van onze familie in zakdoekformaat. De mannenzakdoeken waren de grootste, hadden een donkere streep aan de rand, bruin, grijs of bordeaux. De vrouwenzakdoeken waren kleiner, de randen waren lichtblauw, rood of groen. De kinderzakdoeken waren het kleinst, zonder rand, maar in het witte vierkant met bloemen of dieren beschilderd. Van alle drie de zakdoeksoorten waren er dagelijkse zakdoeken, op de voorste rij, en zondagse zakdoeken, op de achterste rij. 's Zondags moest de zakdoek, ook al zag je hem niet, bij de kleur van je kleren passen.
Geen enkel voorwerp in huis was voor ons ooit zo belangrijk als de zakdoek, zelfs wijzelf waren dat niet. Hij was universeel bruikbaar voor: neus snuiten, bloedneus, gewonde hand, elleboog of knie, huilen of erop bijten om het huilen te onderdrukken. Een natte, koude zakdoek op je voorhoofd was tegen de hoofdpijn. Met vier knopen aan de punten was hij een hoofddeksel tegen zonnebrand of regen. Als je iets wilde onthouden, deed je een knoop in je zakdoek als geheugensteuntje. Voor het dragen van zware tassen wikkelde je hem om je hand. Wapperend werd hij een afscheidszwaaien als de trein het station uit reed. En omdat trein in het Roemeens TREN heet en traan in het dialect van de Banat TRÄN, leek het gegier van de treinen over de rails in mijn hoofd altijd op huilen. Als er in het dorp iemand thuis stierf, werd er meteen een zakdoek om zijn kin gebonden zodat zijn mond gesloten bleef wanneer de lijkstijfheid was ingetreden. Als er in de stad iemand neerviel aan de kant van de weg, was er altijd wel een voorbijganger die het gezicht van de dode toedekte met zijn zakdoek - op die manier was de zakdoek zijn eerste dodenrust.
Op warme zomerdagen stuurden de ouders hun kinderen 's avonds laat naar het kerkhof om de bloemen water te geven. Met z'n tweeën of drieën, je bleef van het ene graf naar het andere bij elkaar, werkte snel. Daarna gingen we dicht tegen elkaar aan op de trap van de kapel zitten om te kijken hoe er van sommige graven witte nevelflarden opstegen. Ze zweefden even in de zwarte lucht en verdwenen. Voor ons waren het de zielen van de doden: dierenfiguren, brillen, flesjes en kopjes, handschoenen en kousen. En daartussen hier en daar een witte zakdoek met de zwarte rand van de nacht.
Later, toen ik gesprekken voerde met Oskar Pastior om te gaan schrijven over zijn deportatie naar het sovjetwerkkamp, vertelde hij dat hij van een oude Russische moeder een zakdoek van wit batist had gekregen. Misschien hebben jullie geluk, jij en mijn zoon, en mogen jullie gauw naar huis, zei de Russin. Haar zoon was even oud als Oskar Pastior en even ver van huis als hij, de andere kant op, zei ze, in een strafbataljon. Als half verhongerde bedelaar had Oskar Pastior bij haar aangeklopt om een brok steenkool tegen wat eten te ruilen. Ze liet hem binnen, gaf hem warme soep. En toen zijn neus in het bord drupte - de witte zakdoek van batist, die nog nooit iemand had gebruikt. Met een ajour rand, heel precies gemaakte stokjes en rozetten van zijdegaren was de zakdoek een schoonheid die de bedelaar omhelsde én kwetste. Een mengsel: enerzijds troost van batist, anderzijds een meetlint met zijden stokjes, de witte streepjes op de schaal van zijn verwaarlozing. Oskar Pastior zelf was een mengsel voor die vrouw: wereldvreemde bedelaar in haar huis en verloren kind in de wereld. In die twee personen was hij blij met en overvraagd door het gebaar van een vrouw die voor hem ook twee personen was: vreemde Russin en bezorgde moeder met de vraag: HEB JE EEN ZAKDOEK.
Sinds ik dat verhaal ken, heb ik ook een vraag: Geldt HEB JE EEN ZAKDOEK overal, en is de vraag in de sneeuwglans tussen vriezen en dooien over de halve wereld gespannen? Gaat hij tussen bergen en steppen door over alle grenzen heen, tot in een reusachtig met straf- en werkkampen bezaaid imperium? Is de vraag HEB JE EEN ZAKDOEK niet dood te krijgen, zelfs niet met hamer en sikkel, zelfs niet in het stalinisme van de heropvoeding door al die kampen?
Hoewel ik al decennialang Roemeens spreek, viel mij in het gesprek met Oskar Pastior voor het eerst op: zakdoek heet in het Roemeens BATISTA. Weer zo'n voorbeeld van dat zinnelijke Roemeens, dat zijn woorden dwingend eenvoudig naar het hart van de dingen jaagt. Het materiaal maakt geen omweg, noemt zichzelf een zakdoek die af is, een BATISTA. Alsof elke zakdoek overal en altijd van batist is.
Oskar Pastior heeft de zakdoek als een relikwie van een dubbele moeder met een dubbele zoon in zijn koffer bewaard. En hem toen na vijf kampjaren mee naar huis genomen. Waarom - zijn witte zakdoek van batist was hoop en angst. Als je hoop en angst uit handen geeft, ga je dood.
Na het gesprek over de witte zakdoek was ik de halve nacht bezig voor Oskar Pastior een collage op een witte kaart te maken:
Hier dansen punten zegt Bea
je komt in een langstelig glas melk
wit wasgoed grijsgroene zinken kuip
onder rembours stroken bijna alle
materialen met elkaar
kijk eens
ik ben de treinreis en
de kers in het zeepbakje
praat nooit met vreemde mannen en
over de centrale
Toen ik de week daarna bij hem kwam en hem de collage wilde geven, zei hij: Je moet er nog VOOR OSKAR op plakken. Ik zei: Wat ik je geef, is van jou. Dat weet je toch wel. Hij zei: Je moet het erop plakken, misschien weet de kaart het niet. Ik nam hem weer mee naar huis en plakte erop: Voor Oskar. En gaf hem de kaart de week daarop opnieuw, alsof ik de eerste keer zonder zakdoek bij de deur terug was gegaan en nu voor de tweede keer bij de deur stond met een zakdoek.
Met een zakdoek eindigt ook een ander verhaal:
De zoon van mijn grootouders heette Matz. In de jaren dertig werd hij naar de handelsschool in Timisoara gestuurd zodat hij later de graanhandel met winkel in koloniale waren van de familie kon overnemen. Aan die school gaven leraren les uit het Duitse Rijk, echte nazi's. Matz was daarna misschien tussen de bedrijven door ook tot koopman maar vooral tot nazi opgeleid - planmatige hersenspoeling. Matz was na die opleiding een fervente nazi, een ander mens. Hij blafte antisemitische leuzen, was zo onbereikbaar als een debiel. Mijn grootvader heeft hem herhaaldelijk terechtgewezen: hij had zijn hele vermogen aan kredieten van Joodse zakenvrienden te danken. En toen dat niets hielp, heeft hij hem meer dan eens geslagen. Maar zijn verstand was uitgewist. Hij speelde de dorpsideoloog, treiterde leeftijdgenoten die zich drukten voor het front. Hij had een kantoorbaan bij het Roemeense leger. Maar hij wilde van de theorie naar de praktijk, hij meldde zich vrijwillig bij de SS, wilde naar het front. Een paar maanden later kwam hij naar huis om te trouwen. Wijzer geworden door de misdaden aan het front maakte hij gebruik van een geldige toverformule om een paar dagen aan het front te ontkomen. Die toverformule heette: trouwverlof.
Mijn grootmoeder had twee foto's van haar zoon Matz helemaal achter in een la, een trouwfoto en een doodsfoto. Op de trouwfoto staat een bruid in het wit, een hand groter dan hij, mager en ernstig, een gipsen madonna. Op haar hoofd een wassen krans als ingesneeuwd loof. Naast haar Matz in nazi-uniform. In plaats van bruidegom te zijn, is hij soldaat. Een trouwsoldaat en zijn eigen laatste vaderlandsoldaat. Nauwelijks was hij terug aan het front of zijn doodsfoto kwam. Daarop is hij een allerlaatste, door een mijn aan flarden gereten soldaat. De doodsfoto is zo groot als een hand, een zwarte akker, daarmiddenop een witte doek met een grijs hoopje mens. In het zwart ligt die witte doek daar net zo klein als een kinderzakdoek, waarvan het witte vierkant in het midden met een bizarre tekening is beschilderd. Voor mijn grootmoeder was ook deze foto een mengsel: op de witte zakdoek stond een dode nazi, in haar herinnering stond een levende zoon. Mijn grootmoeder had die dubbele foto al die jaren in haar gebedenboek liggen. Ze bad elke dag. Waarschijnlijk hadden ook haar gebeden een dubbele bodem. Waarschijnlijk volgden zij de breuk van geliefde zoon naar bezeten nazi en smeekten ze God ook om de spagaat waarin ze van die zoon kon houden en de nazi kon vergeven.
Mijn grootvader was in de Eerste Wereldoorlog soldaat geweest. Hij wist waar hij het over had als hij met betrekking tot zijn zoon Matz vaak en verbitterd zei: Ja, als de vlaggen wapperen, verdwijnt het verstand in de trompet. Die waarschuwing was ook van toepassing op de volgende dictatuur, waarin ikzelf leefde. Dagelijks zag je het verstand van de kleine en grote profiteurs in de trompet verdwijnen. Ik besloot niet op de trompet te blazen.
Maar als kind moest ik tegen mijn wil accordeon leren spelen. Want in huis stond de rode accordeon van de dode soldaat Matz. De riemen van de accordeon waren veel te lang voor mij. Om te voorkomen dat ze van mijn schouders gleden, bond de accordeonleraar ze op mijn rug samen met een zakdoek.
Kun je zeggen dat juist de kleinste voorwerpen, al is het maar een trompet, een accordeon of een zakdoek, samenvoegen wat in het leven het minst bij elkaar past? Dat de voorwerpen ronddraaien en in hun afwijkingen iets hebben wat aan de herhalingen gehoorzaamt - aan de vicieuze cirkel? Je kunt het denken, je kunt het niet zeggen. Maar wat je niet kunt zeggen, kun je schrijven. Want schrijven is iets zwijgends, is van je hoofd naar je hand werken. Je mond wordt overgeslagen. Ik heb in de dictatuur veel gepraat, meestal omdat ik had besloten niet op de trompet te blazen. Meestal heeft het praten ondraaglijke gevolgen gehad. Maar het schrijven is in het zwijgen begonnen, daar op die fabriekstrap, waar ik meer met mezelf moest afspreken dan je kon zeggen. Wat er gebeurde viel niet meer met praten uit te drukken. Hoogstens de uiterlijke toevoegingen, maar niet de omvang daarvan. Die kon ik alleen nog maar zwijgend in mijn hoofd formuleren, in de vicieuze cirkel van de woorden bij het schrijven. Ik reageerde op de doodsangst met levenshonger. Die was woordhonger. Alleen de werveling van de woorden kon mijn toestand vatten. Die formuleerde wat met mijn mond niet te zeggen was. Ik holde in de vicieuze cirkel van de woorden achter het meegemaakte aan, totdat iets zo opdook als ik het daarvoor niet had gekend. Parallel aan de werkelijkheid kwam de pantomime van de woorden in actie. Zij respecteert geen reële dimensies, ze maakt de hoofdzaken kleiner en de bijzaken groter. De vicieuze cirkel van de woorden brengt het meegemaakte halsoverkop een soort betoverde logica bij. De pantomime is woedend en blijft angstig, en is even verslaafd als verveeld. Het thema dictatuur is daar automatisch bij, omdat vanzelfsprekendheid nooit meer terugkomt wanneer je daar bijna volledig van beroofd bent. Het thema is impliciet aanwezig, maar het zijn de woorden die mij in bezit nemen. Zij lokken het thema naar waar ze maar willen. Niets klopt meer en alles is waar.
Als trappengrap was ik even eenzaam als destijds toen ik als kind in het rivierdal de koeien hoedde. Ik at bladeren en bloemen om daarbij te horen, want zij wisten hoe je moest leven en ik niet. Ik sprak ze met hun namen aan. De naam melkdistel moest echt die stekelige plant met melk in de stelen zijn. Maar naar de naam melkdistel luisterde de plant niet. Ik probeerde het met verzonnen namen: STEKELRIB, NAALDENHALS, waarin melk noch distel voorkwam. In het bedrog van alle verkeerde namen voor de juiste plant ging de leemte open in de leegte. Wat een blamage om hardop alleen met mezelf te praten en niet met de plant. Maar de blamage deed me goed. Ik hoedde koeien en de klank van de woorden behoedde mij. Ik voelde:
Elk woord in het gezicht
weet iets van de vicieuze cirkel
maar zegt het niet
De woordklank weet dat hij moet bedriegen omdat de voorwerpen bedrog plegen met hun materiaal, de gevoelens met hun gebaren. Op de grens, waar het bedrog van het materiaal en dat van de gebaren bij elkaar komen, nestelt zich de woordklank met zijn verzonnen waarheid. Bij het schrijven kan van vertrouwen geen sprake zijn, eerder van de eerlijkheid van het bedrog.
Destijds in de fabriek, toen ik een trappengrap was en de zakdoek mijn werkkamer, vond ik in de encyclopedie ook het mooie begrip GETRAPTE RENTE. Dat betekent trapsgewijs stijgende rentetarieven van een lening. De stijgende rentetarieven zijn voor de een kosten, voor de ander inkomsten. Bij het schrijven worden ze het allebei, hoe meer ik mij in de tekst verdiep. Hoe meer het geschrevene mij leegplundert, des te meer laat het aan het meegemaakte zien wat er niet was terwijl ik het meemaakte. Alleen de woorden onthullen het, omdat zij het van tevoren niet wisten. Waar ze het meegemaakte verrassen, weerspiegelen ze dat het beste. Ze worden zo dwingend dat het meegemaakte zich eraan moet vastklampen om niet uiteen te vallen.
Ik heb de indruk dat de voorwerpen hun materiaal niet kennen, de gebaren hun gevoelens niet en de woorden niet de mond die spreekt. Maar om ons te verzekeren van ons eigen bestaan hebben wij de voorwerpen, de gebaren en de woorden nodig. Hoe meer woorden wij mogen nemen, des te vrijer zijn we immers. Als de mond ons wordt verboden, proberen we ons te handhaven met gebaren, zelfs met voorwerpen. Die zijn moeilijker te interpreteren, blijven een tijdlang onverdacht. Zo kunnen ze ons helpen de vernedering te doen omslaan in een waardigheid die een tijdlang onverdacht blijft.
Kort voor mijn emigratie uit Roemenië werd mijn moeder 's morgens vroeg door de dorpsagent opgehaald. Ze was al bij de deur toen ze bedacht, HEB JE EEN ZAKDOEK. Ze had er geen. Hoewel de agent ongeduldig was, ging ze nog terug naar binnen om een zakdoek te pakken. Op het politiebureau ging de agent tekeer. Mijn moeder beheerste het Roemeens niet goed genoeg om zijn geschreeuw te verstaan. Toen verliet hij het bureau en hij deed de deur van buiten op slot. De hele dag zat mijn moeder daar opgesloten. De eerste uren zat ze aan zijn tafel te huilen. Daarna liep ze heen en weer en begon ze met de betraande zakdoek het stof van de meubels te vegen. Daarna haalde ze de emmer uit de hoek en de handdoek van de spijker aan de muur en dweilde ze de vloer. Ik was verbijsterd toen ze mij dat vertelde. Hoe kun je de kamer van die vent schoonmaken, vroeg ik. Zij zei, zonder zich te schamen, ik zocht gewoon werk, om de tijd door te komen. En die kamer was zo smerig. Maar goed dat ik een van die grote mannenzakdoeken had meegenomen.
Pas nu begreep ik dat zij zich in dit arrest met een extra, maar vrijwillige vernedering waardigheid had verschaft. In een collage heb ik daar woorden voor gezocht:
Ik dacht aan de stevige roos in het hart
aan de nutteloze ziel als een zeef
maar de eigenaar vroeg:
wie krijgt de overhand
ik zei: de redding van de huid
hij schreeuwde: de huid is niet meer
dan een lap beledigd batist
zonder verstand
Ik zou willen dat ik een zin kon uitspreken voor alle mensen die in dictaturen elke dag, tot op vandaag, van hun waardigheid worden beroofd - al was het maar een zin met het woord zakdoek. Al was het maar de vraag HEBBEN JULLIE EEN ZAKDOEK.
Kan het zijn dat het bij de vraag naar de zakdoek van oudsher helemaal niet om de zakdoek gaat maar om de acute eenzaamheid van de mens?
Oorspronkelijke tekst © Nobelstichting 2009
Nederlandse vertaling © Ria van Hengel en De Geus BV
Breda 2009